Nieuwe bundel in aantocht

In het voorjaar van 2014 gaat mijn tweede bundel Het moeten eenhoorns zijn verschijnen bij uitgeverij AtlasContact. Ten eerste: HOERA! Ten tweede hier op mijn blog de komende tijd misschien wel enige actie, wie zal het zeggen. Bij deze vast een prematuur geboortekaartje, ook wel bekend als ‘aanbiedingstekst’.

 

Een vrouw en een man draaien rondjes om de zon, er vindt een anti-huwelijk plaats en iemand bevriest van verlangen. Een engel gaat er op vakantie, een meisje verandert in een adaptor en een draak wiekt boven een woonwijk, zijn klauwen al uit. Welkom in de bundel Het moeten eenhoorns zijn*, waar goede bedoelingen en nobele idealen telkens weer  botsen op de absurde chaos van het leven.

Floor Buschenhenke schrijft poëzie en proza. Ze is ook tekstschrijver en schrijfcoach. In 2009 verscheen haar poëziedebuut Eiland op sterk water, waarin haar eigenzinnige kijk op de wereld vorm kreeg. Het moeten eenhoorns zijn is wilder en zelfverzekerder. Dit zijn gedichten waarin je met een gerust hart kunt verdwalen.

 *Disclaimer: Bij het schrijven van deze bundel raakten geen eenhoorns gewond.

Advertenties

Einde Slow-mo Nanowrimo

Eind mei ben ik gestopt met mijn Slow-mo Nanowrimo. Mijn doel, 75.000 woorden, heb ik niet gehaald. Wel heb ik een manuscript geproduceerd met een begin, een midden en een einde, van bijna 60.000 woorden, dat ik anders pas na mijn pensionering had geschreven. Dit manuscript heb ik even laten liggen en toen gelezen. En mensen; het viel best mee. Het biedt me in ieder geval genoeg materiaal om een tweede versie te gaan maken. Want loslaten kan ik het project niet, ik wil er juist graag mee verder. Eerst het plot verbeteren, en dan verzin ik een nieuw schemaatje met deadlines op woordenaantallen. Want die deadlines; ik haal ze lang niet altijd, maar toch krikken ze mijn productie aanzienlijk op. 

Lichaampjes

“ De toestand van de aangetroffen lichamen maakt het onderzoek en definitieve identificatie er niet gemakkelijker op, aldus de politie. Mogelijk hebben de kinderlichamen twee weken in het water van de sloot gelegen. “ nu.nl, 19-05

(bron: http://www.nu.nl/binnenland/3478402/lichamen-bij-cothen-van-vermiste-broertjes.html )

 

Ondertussen heeft T van mij een dino-ei gekregen dat al een week in een vaas met water ligt. Overdag op de eettafel, ‘s nachts wil hij het ei op het kastje in zijn slaapkamer zodat hij ‘s ochtends meteen kan kijken. De instructies waren om het ei voortdurend helemaal onder water te laten. Binnen 24-48 uur zou het ei moeten barsten. Niets uit het water halen. Nog twee a drie dagen later zou het ei open moeten gaan. Dan de dino nog 5 a 8 dagen in het water laten liggen tot hij op zijn maximale grootte is aanbeland. Hele precieze aanwijzingen dus. Vanochtend hebben we het ei een handje geholpen met opengaan, de kop van de dino stak er al uit en groeide. Nog een dagje, dan mag de dino eruit en is het project klaar.

 

Ik heb T niets verteld over de broertjes die door hun vader zijn vermoord. Ik hoop dat in zijn wereldbeeld dit soort dingen (nog) niet kunnen gebeuren. Hij zei vanochtend heel lief: ‘Toe maar dinootje, groei maar uit je ei.’ Maar ik kijk naar die dino met zijn zwellende lijf en denk aan spanbanden, een teruggevonden camouflageshirt dat misschien nog ergens omheen zat, en ik hoop dat de broertjes het niet geweten hebben, dat ze niet hebben beseft wat hun vader met ze van plan was. Dat hun laatste gedachte er eentje was over pannenkoeken, of doelpunten, of dino’s.

 

Het geheugen van een goudvis

Dat heb ik, voor mijn eigen teksten ten minste. Ik heb het hele kreng doorgelezen afgelopen week, om wat overzicht te krijgen, en kon me vooral de beeldspraken, formuleringen maar ook details van het plot niet meer herinneren. Raar, maar ook prettig om verrast te worden door de tekst. Goed, hoe staat het ervoor: de teller staat op 54.370 woorden. Dus nog ruim 20.000 woorden te gaan. In ehhhhhmmmm 1 week. De afgelopen maand heb ik nog geen 7000 woorden geschreven. Ik kruip steeds trager voort in dit project, trager dan mijn oorspronkelijke bedoeling was. Ik vrees dat dat komt omdat ik er iets leuks van wil maken. Iets spannends. Iets wat mensen zouden willen lezen. Naarmate mijn ambitie toenam, nam de typesnelheid af. Ondertussen heb ik wel een plot met een begin, een midden en ook al een eind beschreven, met een paar gaatjes ertussen die nog gedicht moeten worden. Over ‘gedichten’ gesproken (woei, bruggetje), daar ben ik ook mee bezig geweest deze weken. Ik ben mijn tweede poeziëmanuscript aan het bijschaven en op titeljacht gegaan. Ik voel me vrij lullig omdat ik precies in die valkuil stap waar ik van te voren met mijn cijfermatige, kwantiteit-boven-kwaliteit mentaliteit aan ontstijgen wilde. De macht van de deadline neemt af, de perfectionistische streber krijgt het steeds meer voor het zeggen. Ook wat dat betreft heb ik het geheugen van een goudvis.

 

 

Murakami en ik

Een van mijn lievelingsschrijvers, Haruki Murakami, heeft net een nieuwe roman gepubliceerd. Uit de NRC:

“Murakami, die de afgelopen jaren veelvuldig genoemd wordt als potentiële winnaar van de Nobelprijs, heeft gezegd dat een groot deel van de roman zonder voorbedacht plan op het papier is terecht gekomen.

“Op een dag had ik gewoon zin om te schrijven en heb ik de eerste zinnen van een verhaal op papier gezet. Ik ben daarna een half jaar aan het verhaal blijven schrijven zonder dat ik een idee had wat er in zou voorvallen, welke mensen er in voor zouden komen en hoe lang het verhaal zou worden.”

Ik weet niet of dit nu goed of slecht nieuws is voor mijn huidige schrijfstrategie. Aan mijn methode ligt het dus niet, kan ik denken. Of: alleen grootmeesters kunnen zo intuïtief te werk gaan en dan toch iets prachtigs afleveren. Tussen hoop en vrees typ ik traag verder. De griepepidemie, gezinsbreed helaas, is nu gelukkig ten einde. Van mijn lieftallige echtgenoot heb ik drie weken uitstel gekregen voor mijn manuscript. Twee weken blessuretijd, en 1 week hadden we al een vakantie gepland. En het is kennelijk niet de bedoeling dat ik die schrijvend doorbreng. 

Woordenaantal: 48.000 

Nog te gaan: 27.000

Nieuwe deadline: 21 mei.

Trouwens, alle Klaziena-uut-Zalk-achtige tips om de weerstand te verhogen zijn van harte welkom! Kom maar door met die schimmige zeewierpreparaten, oorkaarsen en Tibetaanse neusreinigtechnieken.

Ai…

Sinds vorige week dinsdag ben ik ziek. Koorts, keelpijn, hoesten, een ouderwetse griep dus. En helaas, daar was mijn deadline niet tegen bestand.. Op 1 april moest ik aan de 50.000 woorden zitten, ik zit nu op: 44.100. En het is al de 4e vandaag. Ik voel me nog steeds niet fit, maar wel een stuk beter, en ga maar gewoon stoïcijns verder typen vandaag. 

Slow-mo Nanowrimo vragenvuur

Yo homies,

Dat zegt ook niemand meer hè? Jammer, ik vond die nep-straattaal wel leuk. Keiharde cijfers eerst: woordenaantal project nu op 42.000. Zoals gewoonlijk klein beetje achter op schema, maar ik ga de deadline van komende zondag ( nog 8000 woorden erbij ) vast wel halen. Zoals een criticus op Jack Kerouacs On the Road opmerkte: ‘It’s not writing, it’s typing.’ Oftewel; het gaat nergens over, maar de pagina’s komen wel vol. Als mensen vragen: ‘Hoe gaat het met je boek?’ antwoord ik met mijn keiharde cijfers van dat moment. Lastigste vraag die ik te horen krijg: ‘Waar gaat het over?’ Dan krijg ik een glazige blik in mijn ogen en mompel iets over het leven en liefde en oh ja, doodgaan, en zingeving, en dat soort dingen, weet je wel, makker. Aan de elevator pitch wordt pas gewerkt als de tweede versie af is. Ergens rond Sint Juttemis dus.

Andere lastige vraag die ik van de week kreeg, in de klas bij mijn zoontje tijdens het ouder-inloop-kijk-uurtje, kwam van een vriendje van mijn zoon. 9.15, ik was de laatste ouder die in het  lokaal was. ‘Waarom ben jij hier nog? Moet jij niet werken?’ vroeg hij wantrouwend. Toen ging hij zelf verder: ‘Oh nee, jij werkt toch hier?’ Dat omdat ik als klassemoeder wel eens op school ben. Deze vraag was vooral pijnlijk omdat mijn innerlijke criticus hem ook vaak aan me stelt. ‘Wat doe jij hier, moet jij niet werken?’ Is een boek schrijven werken? Ik weet het niet. Mocht je het werk willen noemen, dan is het onzichtbaar, onbetaald, ondoorgrondelijk werk waarbij het niet duidelijk is wat ik zelf doe en wat er buiten mij om gebeurt, aan inspiratie, binnenvallen en personages die er eigen ideeën over het verhaal op na houden. Wat dat betreft lijkt het wel wat op het moederschap, dat ik ook geen werk zou willen noemen, maar een relatie. Liefde en aandacht, dat heeft elk verhaal nodig om te groeien.

– Oh man, dat is ook geen chille manier om een blog te eindigen. Sjeesus.

– Gooi die sokken in de wasmand en houd je hier verder buiten, ja? Is je huiswerk al af?

nog 50 dagen te gaan

Zo… Slow-mo Nanowrimo update. De woordenteller staat op 36.220,  dat is redelijk op schema. In mijn queeste naar een plot heb ik besloten de chronologie en logica even los te laten en eerst een fragment te gaan schrijven dat me ‘leuk’ lijkt, zonder eerst de (vele, vage) lijnen tussen dat fragment en de rest van het verhaal te schrijven. Leermomentjes de afgelopen tijd:

  • Ik zit ermee wanneer ik dingen uit mijn echte leven ‘jat’ voor het verhaal. In mijn gedichten gebruik ik ook vaak uitspraken die ik heb afgeluisterd, locaties waar ik ben geweest, autobiografische gebeurtenissen als beginpunt, enz enz. Maar daar zit ik er niet zo mee (gewenning?), terwijl ik nu bij het schrijven van fictie me onbehaaglijk voel als ik weer eens rijkelijk jat, steel en plunder uit het ‘echte’ leven. Terwijl ik aan een tekst werk die waarschijnlijk nooit never iemand mag lezen. Toch geeft het constante mengen van herinneringen, observaties en fantasie me de kriebels, vooral als het over de personages gaat. Maar ik kan alleen in fictie oprecht over mijn werkelijkheid schrijven. En juist dat ‘oprechte’ geeft ongemak en is tegelijk een kompas dat me vertelt dat ik op de goede weg ben.
  • Dit hele project is een oefening in het tolereren van onbehagen. Ik ben een verwend nest en het kost me moeite het onbehagen te laten voor wat het is, en toch door te gaan met wat ik wil doen.
  • Eten terwijl je schrijft is geen goed idee. Want je hebt nauwelijks door dat en wat je aan het eten bent. Zonde van die lekkere chocola. (Green & Black’s 85% puur, met vanille)

Nu denken jullie dat het allemaal kommer en kwel is, maar dat is het helemaal niet! Ik doe deze weken precies wat ik graag wil doen. En als ik over een paar maanden mijn carrière (haha) weer heb opgepakt en elke ochtend in mijn mantelpakje tussen de andere kantoorbewoners in een te kleine lift sta op weg naar de top (haha in het kwadraat), dan zal ik met weemoed denken aan dit maffe projectje dat helemaal nergens toe leidde.

Hier nog het motiverende citaat van de week:

Think of your first draft as the clay, not the sculpture

Het komt uit een leuk artikel op writersdigest.com over het schrijven van de eerste versie van je roman.